Af en toe krijg ik de vraag of ik al iets nieuws heb. Een opdracht, een project, iets wat volgt. En soms wordt die vraag niet eens hardop gesteld, maar hangt hij wel in de lucht. Ik zie ’m vaak al voordat hij uitgesproken wordt. Alsof iemand twijfelt of het wel oké is om te vragen.
Ik merk dat ik dan even moet zoeken naar hoe ik antwoord. Niet omdat ik het niet weet, maar omdat het antwoord niet zo lekker past in hoe de vraag bedoeld is.
Ik heb op dit moment niets.
En dat is niet omdat ik stilzit, of omdat ik ergens tussenin hang. Het is gewoon waar ik nu ben.
Wat er nu speelt, laat zich niet vastleggen in iets concreets. Er is niets om aan te kondigen en ook niets waar ik naartoe werk. Ik voel vooral dat ik geen dingen wil verzinnen om het plaatje kloppend te maken naar anderen toe.
Dat maakt het soms ongemakkelijk, merk ik. Alsof niets hebben meteen wordt gezien als wachten of achterlopen. Alsof je pas meetelt als je kunt zeggen waar je mee bezig bent.
Voor mij werkt het anders. Door nu even niets vast te zetten, wordt vanzelf duidelijk wat nog bij me past en wat niet meer. Dat voelt niet als stilstaan. Eerder als even niet vooruitrennen voordat je weet welke kant je op wilt.

